#26 tot #31 Vangrail en een 19e-eeuwse roman
En 4 andere dingen die me blij maken
Ik was een paar dagen niet zo blij, nadat ik donderdag het nieuws zag dat de Amerikaanse acteur James Van Der Beek is overleden. Hij was 48 en had darmkanker.
Deze raakte me hard.
Toen ik jaar of 18 was keek ik alle afleveringen van de tienerserie Dawson’s Creek, waarin Van Der Beek de hoofdrol speelde. Typische coming-of-age problematiek, die ik opvrat, terwijl ik zelf volwassen werd.
Later zag ik hem nog in de verfilming van The Rules of Attraction, een boek van Bret Easton Ellis dat ik begin deze eeuw las en dat mij inspireerde om zelf ook te gaan schrijven.
Weer jaren later verscheen hij ineens in mijn tijdlijn op Instagram. Hij was inmiddels vader, maakte filmpjes over zijn gezin en zijn werk als acteur.
Wat mij zo aantrok in James Van Der Beek? Dat hij humor had, zelfspot ook. Ik had het idee dat we op elkaar leken. Ergens, op een bepaalde manier.
Twee jaar geleden kondigde hij aan dat hij kanker had. Maar hij blaakte van gezondheid, dus dit kon hij aan, zei hij.
Vorige maand verscheen een filmpje, waarin hij sprak over zijn goede voornemens voor het nieuwe jaar. Hij kon niet wachten op de lente.
Dat hij die lente zelf niet zou halen, wist hij toen waarschijnlijk al.
Een paar dagen werd ik gekweld door de gedachte aan mijn eigen sterfelijkheid.
Gelukkig werd ik daarna weer blij van een aantal ogenschijnlijk willekeurige dingen.
Dit zijn mijn nummer 26 tot en met 31.
26. Kennissen met een vakantiehuisje
Vorige week zat ik vijf dagen in Putten. Of nou ja, op een vakantiepark in de buurt van Putten. Kennissen (een collega van Irene) hebben daar een chalet. En die stond die week toch leeg.
Ik zocht een plek om een begin te maken aan een nieuw boek over geld en die eerste 10.000 woorden op papier te krijgen. Eén en één was twee.
Ik word altijd heel blij als één en één twee worden.
27. Een dagboek beginnen
Ik ben al een keer of vijf in mijn leven een dagboek begonnen. Het kortste dagboek dat ik bijhield duurde twee dagen. Het langste ongeveer vier maanden.
Meestal begin ik na het lezen van andermans dagboek. Vorig jaar las ik bijvoorbeeld een uitgegeven dagboek van Jan Wolkers, waarin hij heel droogjes noteert wat voor uitspattingen hij op een dag zoal beleeft. Er wordt veel gegeten, geneukt, geshopt, vakantie gevierd en ook nog geschreven. Wat een energie. Wat een productie. Dat wilde ik ook wel.
Ik denk dat ik daarom vlak erna ook weer begon met een dagboek. Alsof ik op die manier een dergelijke levensstijl kon afdwingen. Ik kocht er een speciaal opschrijfboekje voor, waarin ik met de hand schreef.
Maar goed, ik ben Jan Wolkers niet. Als ik eerlijk noteer wat ik op een dag meemaak, ziet dat er toch anders uit. Na een paar maanden ben ik er weer mee gestopt. Vind ik nog lang.
De eerste keer dat ik het deed, was ik een jaar of elf. Toen deed ik het in een lijntjesschriftje dat ik van school had meegenomen. Ik zou nu dolgraag willen lezen wat ik toen had geschreven. Maar dat is verdwenen.
Dit jaar ben ik begonnen met deze lijst met dingen die me blij maken. Dit is geen dagboek. Maar het is wel een soort dagboek. Misschien is dit de juiste vorm voor mij. Dat mensen meelezen. En dat ik een deadline heb.
Ik ben al anderhalve maand bezig. Dus dat is hoopvol.
28. Een 19e-eeuwse roman lezen en erin komen
Iemand (een schrijver die ik bewonder) raadde me aan om Middlemarch te lezen, van de schrijfster George Eliot.
Deze roman is uit 1872, heeft een pagina of 1000 en gaat over het leven in een Engels plattelandsstadje. Jonge mensen trouwen er met de verkeerde personen. Er is gedoe over een erfenis. Een ambitieuze dokter loopt tegen conservatieve notabelen aan. En een jonge vent gaat gebukt onder een schuld. Helemaal geen grote schuld, een vrij kleine schuld zelfs. Zo klein eigenlijk dat het weer gênant wordt om er tegen iemand over te beginnen om hulp te vragen. Lastig allemaal.
Het is een satire, een ouderwetse sitcom eigenlijk. In 86 afleveringen, oftewel hoofdstukken.
Na een paar hoofdstukken was ik gewend aan de lange zinnen en begon ik er zowaar van te genieten. Er is in de roman helemaal geen sprake van een groot drama, wat mijn vooroordeel was over 19e-eeuwse literatuur.
Er is sprake van heel veel kleine dramaatjes en mensen die rare keuzes maken en pech hebben en niet naar elkaar luisteren. Heel herkenbaar allemaal. En vooral leuk.
Eliot creëerde een wereld waarin je helemaal op kan gaan. Ik word blij van opgaan in andere werelden.
29. Schaatsen uitdoen na twee uur schaatsen
Ik kan niet schaatsen. Ik kan alleen op schaatsen blijven staan en langzaam vooruit komen. Ik heb daarom ook geen schaatsen. Die huurde ik. We gingen dit weekend schaatsen op de baan in Haarlem.
De kinderen schoten weg uit de startblokken. Ik sukkelde erachteraan. Na een tijdje gleed ik wat soepeler over de baan. Toen viel ik en de rest van de tijd voelde ik mijn enkel. Het beste moment kwam aan het einde van de middag. Toen ik de schaatsen uit mocht trekken en mijn normale schoenen aan.
Wat een gevoel. Denk aan twee krijgsgevangen, die onverhoopt toch nog uit de martelgevangenis worden bevrijd. Wat ging er door ze heen? Eerst ongeloof, toen verwarring, Toen opwarming, toen ontspanning.
30. Zelf gebakken hamburgerbroodjes
Irene bakt. Zoet en tegenwoordig ook brood. Zaterdag aten we hamburgers en Irene bakte vooraf eigenhandig de hamburgerbroodjes. Beste hamerburgerbroodjes ooit gegeten.
31. Vangrail
Je ziet hem pas, als je hem nodig hebt. Gelukkig heb ik hem nog nooit nodig gehad.
Toch zag ik de vangrail laatst weer eens, toen hij een andere auto had opgevangen. En als je er eenmaal op gaat letten dan houdt ie nooit op. Hoeveel kilometer vangrail zou er alleen al in Nederland staan? Wie onderhoudt al die vangrails? Wie bepaalt hoe die er uitziet?
Een keer moest ik over een vangrail heen klimmen. Dan ontdek je hoe breed dat ding is. Ik moest heel nodig plassen, zo erg dat het geen optie meer was om te wachten tot het volgende tankstation.
De keuze was: met knipperlichten aan op de vluchtstrook staan of met een natte broek en/of autostoel bij het theater aankomen.
Eenmaal uitgestapt en om de auto heen gelopen, voelde ik me bekeken. Ik kan niet plassen als ik denk dat mensen kijken. De aandrang verdween zelfs een beetje. Maar ik wist dat deze onmiddellijk zou terugkomen, als ik weer instapte.
Dus ik moest over de vangrail heen klimmen. Dat ging in meerdere stappen. Even stond ik midden in de vangrail. Toen aan de andere kant.
Toen ik weer terug over die vangrail klauterde, merkte ik pas echt hoe robuust dat ding is. Ik voelde me veilig en beschermd.
Ik hou van plassen, zeker als je nodig moet. Maar nog beter is het gevoel dat je opgevangen wordt, als je een keer uit de bocht vliegt.
Ik zocht het op, en uiteraard verzorgt Rijkswaterstaat de Nederlandse vangrails. De geleiderails, zoals deze professionals het noemen.
Hier is een heerlijk smeuïg artikel met alles wat je ooit wilde weten over vangrail, maar nooit durfde te vragen, getiteld: CADO en de rest van de vangrailfamilie.
Begin een dagboek, al is het maar voor een dag.


